0 Günther Uecker

Günther Uecker sloot zich in 1961 aan bij Mack en Piene, de drie kunstenaars vormden het hart van de ZERO-beweging. Zeker na de oorlogstijd, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, voelde UECKER de behoefte om met zijn kunst toenadering te zoeken tot de werkelijkheid en tot de toeschouwer. Hij behoort tot de generatie die zich sterk bewust is van wat er zich in het korte verleden heeft afgespeeld. Dezelfde generatie die zich met deze erfenis op zak een nieuw toekomstbeeld moet vormen, op zoek moet gaan naar nieuwe beweegredenen in het leven. De straat die hij WIT verfde (waarop hij een witte 0 verfde, volgens het verhaal, om preciezer te zijn) tijdens een ZERO-demonstratie voor de Schmela Galerie in Düsseldorf geeft aan hoe hij zijn ideeën naar buiten bracht. De natte verf werd door de stad verspreid door de voetstappen van jonge kunstenaars die eveneens naar een nieuw, hoopgevend levensdoel zochten. 

UECKER wordt in 1930 geboren in een klein dorp in de noordoostelijke punt van Duitsland, Wendorf genaamd. Op zijn negentiende gaat hij in Wismar naar de kunstacademie, eveneens op het schiereiland Wustrow in Oost-Duitsland. Hij vervolgt zijn studie op de academie in Berlijn-Weissensee en komt in 1951 voor het eerst in West-Duitsland, waar hij in aanraking komt met abstracte kunst. Vanaf 1955 studeert hij twee jaar aan de kunstacademie van Düsseldorf waar hij jaren later, van 1974 tot 1995, als docent werkzaam zal zijn. Van 1958 tot 1966 was zijn werk te zien tijdens ZERO-tentoonstellingen, waaronder de grote NUL exposities van 1962 en 1965 in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Tijdens de Biënnale van Venetië in 1970 was UECKER één van de Duitse vertegenwoordigers, in de jaren die volgen reist en werkt hij onder andere in Zuid-Amerika, Azië, Afrika, Japan en IJsland. Samen met Mack, Piene en de stichting Kunstpalast in Dusseldorf richt hij in 2008 de ZERO Foundation op, die het erfgoed van de kunstbeweging in beheer heeft en waarbinnen ruimte is voor onderzoek. 

Ik zag een interview uit 2017 met GÜNTHER UECKER genaamd ‘Poetry made with a hammer’, verwijzend naar de uitspraak van Mayakovsky en naar de spijkers in het beeldend werk van UECKER. Alles kan kunst zijn en van elk materiaal kun je kunst maken, zo stelt hij. Spijkers, hout, stof en doek zijn veelvoorkomende materialen in het werk dat hij maakte, dat een weergave is van de directe wereld om hem heen. Zou hij een rondje met Bregje Hofstede mee hebben geslenterd door de buurt, dan was er genoeg inspiratie geweest om werk over te maken. De directe leefomgeving volstaat ook voor het vinden van materiaal om werk van te maken. Kunst kan daarmee volgens UECKER beter gezien worden als instrument, als uiting van het dagelijkse leven dan als statisch beeld. Hij is van mening dat de schilderijen van de grote meesters leugens laten zien en helemaal niet de juiste weergave van de werkelijkheid zijn, ook al zijn ze realistisch geschilderd. In de varkensschuur naast het huis waar hij opgroeide, maakte hij met een bijl uit eikenhout zijn eerste beeld dat een portret van zijn zus voorstelde.  

Zoals Kandinsky betoogde in 1910, gelooft ook UECKER dat je de spirituele werkelijkheid kunt laten zien middels kunst. Het spirituele is een goede tegenhanger van de agrarische achtergrond die hij kent en van waaruit hij het spontane werken, het directe handelen heeft overgenomen. De spijker lijkt bij uitstek geschikt om het praktische met het spirituele te verbinden zoals UECKER dat kan in zijn werk. Niet alleen hebben spijkers een duidelijke functie in de verbinding van twee stukken hout en kennen ze een praktisch nut, ook laat UECKER spijkers symbool staan voor de continue beweging van mens en wereld. Zoals de zon voorbijtrekt over het land, werpen de spijkers steeds andere schaduwen over het veld dat UECKER creëert wanneer je als toeschouwers langs het werk beweegt. Het werk, waaraan niets beweegt, gaat overduidelijk over tijdsbeleving, ritme en als gevolg daarop over vergankelijkheid. Door de spijkers WIT te schilderen gaat UECKER nog een stap verder in zijn symboliek. Wat WIT is, reflecteert licht. Licht neemt de duisternis over, het pessimisme uit het verleden moet plaats maken voor een hoopvolle toekomst. WIT staat voor het pure, voor het maagdelijke vanuit de theologie bekeken en WIT voert je terug naar jezelf, zoals de monniken geloven.  

Er zit een zekere volharding in de werkwijze van UECKER. Door herhaling van hetzelfde, door niet op te geven tot je erbij neervalt, zoals hij gewend was te doen tijdens het werken op het land, geloofde hij iets gewaar te worden wat noodzakelijk is. Tegenwoordig zouden we dat gevoel ‘flow’ noemen, ‘het gevoel hebben dat je leeft’. De spijkers die hij gebruikte werden niet klakkeloos in een stuk hout geslagen, ook ging het hem niet om de functie ervan, het bevestigen van een stuk hout op een schilderij. UECKER maakte spijkerlandschappen, monostructuren die tastbaar zijn en waarin patronen en rijen ontstaan vanuit een conceptueel idee. Dat wil niet zeggen dat zijn werk de uitvoering van een idee is, het tegenovergestelde is waar. Hij werkt onbewust, schakelt het liefst zijn gedachten uit en neemt geen afstand van zijn werk om er veranderingen in aan te brengen. Wanneer hij naar een tentoonstelling gaat waar werk van hem te zien is, kijkt hij naar de toeschouwers in plaats van naar zijn eigen beelden. Hun gezichten kan hij lezen en hij ziet niet alleen hoe succesvol hij is maar hij ziet ook zijn gebreken en tekortkomingen. Vooral in landen die een andere cultuur kennen, heeft dit een vervreemdend effect op hem. Die vervreemding is wat UECKER de bron, de oorsprong van zijn werk noemt. De oorsprong van de kunst zelf, de noodzaak zou je kunnen zeggen, ligt buiten de kunst zelf. 

Voor het onbeschrijfelijke, dat wat we niet in woorden kunnen vatten, hebben we kunst nodig. Als we iets onder woorden willen brengen, waar geen woorden voor zijn, gaat de boodschap verloren en zijn we genoodzaakt op zoek te gaan naar een andere manier van vertellen. Die vertelvorm zonder taal is beeld. Middels kunst kunnen we in een mystieke wereld terechtkomen, waar taal geen toegang tot heeft, met uitzondering van de poëzie wellicht, omdat ze de betekenis van woorden kan veranderen en eigen beelden maakt. Het gaat erom een manier te vinden die laat zien wat je niet kunt zeggen, uitdrukking te geven aan het onuitspreekbare. Hiermee kom je in een andere, irrationele werkelijkheid terecht en we zijn ook zonder taal in staat om deze te begrijpen. Omdat we dit vermogen hebben, is ook ons waarnemingsvermogen oneindig en kunnen we duiden zonder uitleg of verhaal. Ik geloof dat ik zo langzamerhand begin te begrijpen wat mij zo aantrekt in het abstracte en waarom je er zoveel bij kunt voelen.  

Controversieel is het werk van UECKER. Zolang we de mens met al zijn onvolkomenheden niet als geheel accepteren, zal er strijd en oorlog zijn, meent hij. Alle mogelijke verschijningen zitten in de mens; wie een schilder is, had ook een timmerman of dief kunnen zijn, elke mogelijkheid is aanwezig. Om die reden mogen we de ander niet afwijzen. ‘Verwonder je slechts’ was ook het goede advies dat Spinoza gaf. UECKER benadrukt het belang van empathie en vrijheid van handelen.  Wanneer we ons keren naar wat ons vreemd is, wat we onaangenaam vinden, zullen we zien dat alles menselijk is. Hij hamert op het belang van verbondenheid met de ander. Wat UECKER drijft is het gevoel dat hij er bijna is, zijn werken zijn geen eindpunt maar een doorlopende poging om dat te vertellen wat van binnenuit gezegd moet worden. Ze zijn de verbeelding van zijn waarnemen.